Derk Jacobs

Derk Jacobs

Derk heb ik leren kennen in een droom, althans dat leek mij zo.

Derk is een vriendelijk goedlachse jongen van amper 9 jaar oud.

Hij was er ineens, als in een flits. Ik lag aan het strand, heerlijk op mijn rug bruin te bakken in de hete middagzon. Het was in een baai in een warm land, met heerlijk zacht wit zand. Mensen speelden op het strand en waren druk bezig in het warme water voor mij, in de helder blauwe zee. Een grote groep kinderen was, luidkeels schreeuwend een balspel aan het spelen. Het kwam over op mij alsof er een schoolreisje was georganiseerd, waaraan de kinderen allemaal deelnamen. Ze leken elkaar goed te kennen.

Een kleine honderd meter vanaf het strand, dreef een groen luchtbed in de zee. Derk zat op het luchtbed en speelde alsof hij de kapitein was van een groot schip, zo leek het mij. Hij probeerde te gaan staan op het luchtbed, wat hem zowaar af en toe lukte. Hij stak fier de arm omhoog richting de zee alsof hij een enorme overwinning te vieren had. Hij zag er gelukkig uit, voor zover ik dat van die afstand kon beoordelen. Ik sloeg hem gade en op de een of andere manier maakte hij indruk op me. Soms moest ik mijn hoofd even neerleggen, want mijn nek voelde stijf aan van het opgeheven kijken naar Derk.

Misschien was ik even in slaap gevallen, ik kan het moeilijk terughalen. In elk geval, toen ik rechtop ging zitten om iets te drinken, viel mijn blik op het groene luchtbed, dat voor mijn gevoel verder de zee was opgedreven. Het luchtbed was leeg. Derk was nergens te zien. Ik wachtte totdat hij er weer op zou klimmen, ik wilde zijn schouwspel weer volgen.

Maar Derk was weg en bleef weg. Ik stond op en besloot te kijken of ik hem ergens in het water zag. Het leek mij niet dat hij het luchtbed, waar hij zo trots op leek te zijn, alleen zou laten. Ik bleef aan de waterrand staan, turend naar de zwemmende kinderen. Misschien zag ik hem over het hoofd, maar mijn gevoel zei me meteen dat dit niet zo was.

Derk was nergens te bekennen.

Ik besloot richting het luchtbed te zwemmen. Al zwemmend vroeg ik mij af hoe hij in hemelsnaam zover had kunnen komen. Hij had veel kracht hiervoor moeten gebruiken of de stroming was sterk. Ik moest hard werken om het hele eind te zwemmen. Zo goed getraind was ik niet en ik begon een lichte stroming onder water te voelen, die me soms sneller bij het luchtbed bracht en soms ook flink tegenwerkte. Al zwemmend begon een lichte paniek zich van mij meester te maken. Het leek wel een eeuwigheid te duren voordat ik het luchtbed bereikte. Ondertussen hield ik de zijkant van de baai vanuit mijn ooghoek in de gaten, een verzameling prachtige rotsen. Ik hoopte dat ik Derk daar elk moment zou zien, zittend en zwaaiend op de grote stenen. Maar dat was niet het geval.

Na een behoorlijke krachtsinspanning was ik bij het luchtbed. Het bleek een groene krokodil te zijn in de vorm van een luchtmatras. De krokodil keek mij met grote ogen aan. Ik was blij dat ik het beest kon beetpakken, om even te rusten. Ik was doodmoe. “Jeetje, waar is dat kind”, zei ik hardop tegen mezelf. Misschien had ik verwacht dat de krokodil mij het antwoord zou geven. Hoe ik ook keek, ik zag Derk nergens.

Ik begon een lichte tinteling in mijn voeten te voelen. De tinteling werd heviger in een vrij snel tempo. Het leek alsof duizenden naaldjes in mijn voetzolen prikten. Het prikgevoel ging over in warmte en ik begon het in mijn onderbenen te voelen. Het was een zeer aangenaam gevoel. Het leek alsof er een ongelooflijke hoeveelheid warme bubbeltjes hun weg zochten in mijn benen. Ineens maakte zich een gevoel van mij meester, een soort ingeving zou ik het achteraf willen noemen; Ik wist ineens dat Derk onder water was. Ik had geen idee waar en hoelang, maar hij was onder water. Waar ik niet aan had durven denken, leek waarheid te worden in mijn hoofd. Derk was onder water. Zekerheid en kracht namen de plaats in van de vermoeidheid en het voelde alsof iemand een nieuwe accu had aangesloten op mijn lijf. Wellicht kon ik hem nog zien op de een of andere manier in het glasheldere water. Terwijl ik alle mogelijkheden nogmaals langsliep in mijn hoofd, leek de energiebundel in mijn voeten en mijn benen alleen maar sterk toe te nemen. Ik voelde dat het vanuit de zee kwam.

Hoezeer ik er ook tegenop zag, ik besloot eveneens onder water te gaan. Het was mijn enige optie.

Het kostte me grote moeite de groene krokodil los te laten. Ik nam de grootste hap lucht die ik ooit in mijn leven had genomen, zoveel als mijn longen aan konden.

Ik ging zwemmend naar beneden, de wateroppervlakte verlatend, op weg naar het rijk waar ik geen weet van had. Het water voelde, naarmate ik dieper kwam steeds kouder aan. Vissen kwamen mijn richting op gezwommen en ik voelde dat ze naar mij keken, met grote ogen. Vonden ze mij een vreemdeling? Een mens in hun wereld? Het beeld vervaagde snel. In mijn hoofd begon zich een pijnlijke druk op te bouwen. Naarmate ik verder naar de diepte zwom begonnen mijn slapen uit te puilen. Mijn lichaam begon in alle hevigheid te protesteren. Ik moest een keuze gaan maken, of terug gaan of verder zwemmen, de diepte in. Maar van keuze was niet echt sprake. Ik had een alles overstijgende drang om Derk te vinden. Er was een stelligheid in mij die er vanzelf was. Ik moest doorgaan.

Ik had plotseling, terwijl allerlei opties door mijn gedachten speelden, het zeer sterke gevoel dat ik vlak bij hem was. Ondanks een tegenwerkend lichaam, kon ik de kracht vinden om harder te gaan zwemmen, de wereld werd wazig, gevuld met mist en pijn. Vanuit die mis zag ik licht, zwak maar naarmate ik de kracht vond om door te zwemmen werd het licht feller.

Ik had het gevoel dat ik steeds minder hoefde te doen om naar de plek toe te gaan, het licht zoog mij als het ware naar zich toe. Zo voelde ik het. Het leek alsof het licht uit een ruimte kwam, ik kon het niet overzien. Werelden begonnen door elkaar te lopen.

Plots leek de onderwater wereld alles over te nemen. Ik zag een soort glazen huisje op de bodem staan, van waaruit het licht scheen te komen. Ik werd blij. Voor het raam aan de buitenkant van het huisje zag ik Derk staan. Hij stond met de rug naar mij toe, starend voor een raam naar wat zich in het huisje blijkbaar afspeelde. Hij stond met gespreide armen in de lucht tegen het raam. Hij leek iets te zien dat hem boeide.

Alsof ik een enorme stoot energie had gekregen, stond ik binnen een paar tellen naast Derk.

Ik ging links naast hem staan en pakte zijn hand vast. Ik heb me zelden zo blij en opgelucht gevoeld.”Gelukkig jongen, ik heb je gevonden, waar was je nou “? Vroeg ik hem. Hij keek met een ontredderde blik mijn kant op. “Hallo”, zei hij. “Ja, ik weet het ook niet, ik kon mijn kroko niet meer vasthouden, dat is mijn opblaasbare krokodil. Ik kon hem niet meer vasthouden en zakte naar beneden, ik kon geen adem meer halen, de visjes hebben mij hier naar toe gebracht”.

“De vissen”?, vroeg ik verbaasd. “Ja”, zei hij. “Het waren er veel, ze konden praten, dat hoorde ik. Hier beneden was alles goed zeiden ze”.

“Maar die twee horen mij niet”, en hij wees naar het glas. Toen zag ik tot mijn verbazing dat er twee figuren aan de andere kant van het raam zaten. Ze zaten aan een tafel met de rug naar ons toegekeerd, in voorover gebogen houding. “Wat zijn ze aan het doen “?, vroeg Derk. “Ik weet het niet maar ik ga kijken”, zei ik.”Ik kan niet naar binnen, ik heb het geprobeerd”, zei Derk. “Ik ga het wel proberen”, zei ik. Ik wilde kost wat kost met de twee figuren contact maken. Blijkbaar was de gedachte voldoende, ik kon door het glazen raam heen stappen. Het ging vanzelf, alsof het glas niet bestond.

Er zaten twee mannen van middelbare leeftijd ijverig te schrijven. Ze waren in keurige, smetteloze driedelige kostuums gekleed, identiek aan elkaar. Ze wisselden geen woord met elkaar en ook niet met mij. Ik boog me over de schouder van de linkerfiguur. Ik was benieuwd. Wat waren ze aan het doen?.

Ze zaten te schrijven. Prachtige vulpennen krasten over het mooie linnen papier en de inkt vormde de woorden als vanzelf. Inkt vloeide op het papier en vormde prachtige letters. Het ging als vanzelf.

Op het linnen papier stond een hele rij namen. Achter de namen stonden kruisjes. De man leek klaar te zijn met schrijven en ging rechtop zitten. Hij keek mij aan alsof hij de hele tijd geweten had dat ik er stond. Ik zei: “Wat schrijf je nu?”. Met verbazing keek hij me aan en zei: “Zijn naam”, antwoordde hij al wijzend met zijn duim richting Derk zonder hem aan te kijken.

“Dat is Derk”, zei hij. “Derk Jacobs”.

“Maar waarom schrijf je zijn naam op?” vroeg ik.

“ik schrijf hem in, in het register. Hij gaat op reis. Dit is het Engelen-Register”.

“Maar wat is dan het kruisje achter zijn naam?” wilde ik weten.

“Het kruisje is het begin van de reis. Mijn vriend naast me heeft een register van de data, waar hij verantwoordelijk voor is. Hij noteert precies de datum en het tijdstip waarop Derk aan de reis begint”.

Toen drong pas tot me door wat hij eerder had gezegd. “Een Engelen-Register ?” vroeg ik vol verbazing.

“Ja”, zei hij. “Dat is het boek waarin alle Engelen staan genoemd. Derk staat er vaak in hoor”, zei hij met een brede glimlach. “Wij hebben hem al zo vaak in moeten schrijven. Hij is een goeie hoor. Maar zoals ieder stoffelijk mens, vergeet ook Derk steeds weer wie wij zijn. Hij heeft altijd even hulp nodig om zijn reis te beginnen”,

“En waar gaat hij dan heen op reis?” vroeg ik.

Het antwoord volgde meteen, terwijl de man naar zijn vriend keek en lachte. “Naar de plek waar geen woorden bestaan. Het alom eeuwige Veld waar eenheid en liefde heerst”.

De andere man richtte voor het eerst zijn blik naar mij en zei op een rustige, kalme toon:”ik vind dat jij veel vragen stelt terwijl je de antwoorden al weet. Je bent er zelf immers ook geweest. Je hebt ook een deel van de reis gemaakt, toen je ziek was. Alleen jij koos ervoor om de reis een andere keer af te maken”.

Hoezeer ik ook probeerde, de herinneringen aan de reis kon ik maar moeilijk boven halen.

“Daarom ben jij ook hier”, vervolgde hij zijn verhaal op een monotone wijze. : Jij moet Derk even op weg helpen. Jij moet hem naar de Brug brengen. Dan neemt jouw Engel hem verder mee en die zal verder voor hem zorgen”.

Ik bespeurde bij mezelf een enorme verbazing en tegelijkertijd een warm gevoel van herkenning. Ik keek naar Derk. Hij keek mij aan met vragende ogen, alsof hij al geruime tijd stond te wachten op het antwoord dat ik hem zou brengen. Mijn gevoel was bij Derk. Blijkbaar zo krachtig dat het raam geen enkele belemmering vormde om terug te keren naar hem.

“En?” vroeg hij. “Wat zijn die mannen aan het doen?”. . “Tja Derk “, zei ik twijfelend. “Dat is nog niet zo eenvoudig uit te leggen. Ze hebben je naam opgeschreven”. Hoe moest ik dat nu verder aan hem duidelijk maken?.

“Ik begrijp het niet “. Zei Derk. “Ik hoor mijn moeder steeds zingen, maar ik zie haar niet”, en hij keek snel om zich heen alsof hij haar  elk moment verwachtte maar niet wist van welke kant ze kwam.

“Derk”, zei ik en ik knielde tegelijkertijd naast hem neer. “Derk, je kunt niet meer terug naar je moeder op het strand. Je gaat nu ergens anders naar toe, je gaat een ander soort leven leiden”. Jeetje, dacht ik het is nog maar een kind, hoe maak ik hem dat duidelijk?.

“Je gaat een mooie reis maken Derk”, zei ik. “Samen met mijn moeder?” vroeg hij met grote ogen die een enorme blijdschap uitstraalden.

“Nou Derk, dat zal niet gaan want je moeder zal toch nog bij de andere mensen zijn”. “Bij welke mensen?” vroeg hij meteen. “De mensen op het strand, de mensen waarmee jij aan het zwemmen was, weet je nog?”. Het leek mij dat hij  niet meer wist wat hij aan het doen was voordat hij hier beneden kwam. Misschien hoorde dat zo, ik wist het niet.

“Bij mijn klasgenootjes?” vroeg hij verbaasd.” Mijn moeder was niet bij mijn schoolvriendjes, hoor”.

“Schoolvriendjes?” vroeg ik met grote verbazing. “Ben je op schoolreis?, waar is je moeder dan?”. Ik wilde heel veel dingen gelijktijdig vragen, zoveel vragen kwamen er in mij op. Ik kon het niet meer begrijpen.

“Nee”, zei hij, hij zag blijkbaar mijn vragen.”Ik zit op een speciale school, waar ik ook woon en eet en slaap, samen met andere kinderen die ook geen ouders meer hebben”. Ik was met stomheid geslagen. Hij zag het en zei:”Mijn pappa en mamma zijn vorig jaar overleden na een auto ongeluk. Toen was ik alleen en ben ik naar een speciale school gegaan, waar ik ook woon. Ik heb geen broertjes of zusjes. Ik heb geen familie”.

Ik was verbaasd, ontroerd, verheugd en radeloos. Ik wist niet meer wat te doen. Ik moest nadenken. Ik wilde en kon Derk niet alleen laten en tegelijkertijd wilde ik terug naar de Registermannen om hun om raad te vragen. Het leek alsof een kolk in mijn hoofd alle gedachten weg trok.Ik voelde me leeg en wist niet wat te doen. Ik hoorde de woorden van de Registermannen plots weer klinken, “Jij moet Derk even op weg helpen”. Derk keek me aan en leek te zien dat ik aan het overwegen was wat te doen. Hij wachtte met veel geduld af.

Ik begon tegen hem te praten om mijn gevoel onder woorden te gaan brengen, ik moest zoeken naar woorden toen hij met een snelle wending zijn hoofd naar rechts draaide. Hij keek mij aan en zei:”Hoor je?”.Ik was stil en luisterde maar ik hoorde niets. Het was alsof ik in een geluidsdichte kamer was. Hij stak zijn vinger omhoog en zei zachtjes:”Luister”. Hij wilde nog meer vertellen, toen ik beweging zag in het water achter hem. Ik pakte zijn hand vast en zei:”Sssttt”. Er ontstond een vaag licht niet ver van ons vandaan. Het was vaag maar leek erg snel in intensiteit toe te nemen. Er werden felle kleuren zichtbaar. Het was een prachtige gele gloed vermengd met een achtergrond van smaragdgroen. Achter de gloed was duidelijk een witte kern zichtbaar. Het naderde heel snel en leek een hoge snelheid te ontwikkelen, het was een spektakel om naar te kijken. Ik kon mijn ogen niet geloven. De kleuren bleken enorme scholen vissen te zijn, die zo synchroon bewogen, dat het mij ontroerde. Het was een aanblik die ik nog nooit gezien had. Het was een golvende beweging van kleuren onder water. Ze naderden ons snel. Eenmaal bij ons aangekomen omringden ze ons in een vloeiende harmonieuze beweging. Derk had een enorme glimlach op zijn gezicht, pakte mijn hand en keek weer naar de vissen. De vissen keken ons allemaal aan, geen enkele vis uitgezonderd. Ik wist het, ik voelde het. Ik had het gevoel dat Derk elke vis aankeek en met hun communiceerde op de een of andere manier. Zijn zwarte haardos danste in het water, het leek fluweel. Ik hield zijn hand steviger vast, niet wetende wat er nog zou volgen.

Het einde van de school vissen was in zicht, maar het licht niet. Het licht leek alleen maar toe te nemen. Het werd feller maar belemmerde het zicht helemaal niet. Het licht begon zich af te bakenen en leek nu op een ballon, een grote gloeilamp, vol fel helder licht.

Derk trok met beide handen aan mijn arm, maakte een hand los en wees naar de bol. “Kijk, Mamma”. Ik keek verbaasd naar de bol. Ik zag niemand. Ik werd plotseling omringd door een gevoel dat ik eerder had ervaren. Het was warmte, het was vreugde, het was heimwee, het was pure liefde.

Derk keek mij aan en kon mijn gevoel zien. Met zijn rustige kinderstem zei hij: “Dat is nou mijn Mamma, mag ik gaan alstublieft?”. Hij vroeg het en het leek wel alsof hij wilde dat ik een soort straf zou opheffen. Ik denk dat hij mijn verbondenheid met hem had gezien. Ik moet eerlijk bekennen, ik had moeite om hem los te laten. Ik had twijfel om hem te laten gaan. Niet voor hem, maar voor mezelf. Het liefst wilde ik mee. Dat was wat ik het liefst zou doen. Mee naar het licht, naar de ballon.

Hij keek me aan met een doordringende blik en schudde zachtjes nee met zijn hoofd. Hij leek te begrijpen waarom ik twijfelde. Ik zag de vissen die naar ons keken, ik zag de ballon die op dezelfde afstand voor ons leek te blijven hangen, ik zag Derk. Ik voelde tegelijkertijd ogen in mijn rug prikken. Ik draaide mijn hoofd en zag de twee Registermannen voor het raam staan en naar ons kijken. Ze hadden een brede glimlach op hun gezicht en knikten precies op hetzelfde moment. Het knikje zorgde ervoor dat ik een enorme warme gloed door me heen voelde gaan en ik wist wat me te doen stond.

Ik knielde naast Derk en zei:”Het ga je goed jongen, ik hoop je weer te zien”. Ik liet mijn hand door zijn haren glijden. Hij antwoordde met een stem die ineens volwassen leek; “Als je komt dan ben ik bij de Brug, daar wacht ik dan op je, samen met Mamma”. Hij gaf me een kus op mijn wang en draaide naar het licht toe. Hij zweefde als het ware naar de lichtbol toe en strekte beide armen uit. Hij werd zo snel door de lichtbol opgezogen dat ik even schrok. Hij leek samen te smelten met het licht. Op dat moment verzamelden de vissen zich pijlsnel en schoten voorbij aan de lichtbol. Ze leken de bol weg te leiden. Binnen een mum van tijd werd het licht zwakker en verdween precies zoals het gekomen was. Het laatste dat ik zag was een gouden puntje.

Ik voelde me verdrietig en tegelijkertijd opgelucht. Ik draaide me om naar de Registermannen, verwachtte dat ze nog stonden te kijken. Ik wilde vragen of ze wel eens eerder iets dergelijks hadden gezien. Ze zaten voorovergebogen driftig te schrijven en keken mij niet meer aan. Ik had de fut niet meer om contact te leggen en kon niet meer door het raam heen stappen. Ik voelde me zwakker worden en wist niet meer wat te doen. Ik was mijn bewustzijn aan het verliezen, een doof gevoel verplaatste zich snel door mijn hele lijf. De energie voelde ik wegvloeien, maar het maakte mij niets meer uit. Op het moment dat ik mij aan de machteloosheid wilde overgeven, voelde ik beweging rond mijn benen. Mijn hoofd zakte voorover, zodat ik kon zien wat er gebeurde. Er leken duizenden vissen onder mij te zwemmen. Ze zwommen in een enorm tempo in het rond, rond mijn onderlichaam. Er vormde zich een draaiende watermassa, die een druk veroorzaakte zodat ik naar boven begon te stijgen. Ik voelde het. Ik kwam in beweging, ik ging omhoog. Dat is het laatste dat ik mij kan herinneren.

De grote man trok aan mijn armen en ik voelde pijn, veel pijn. Er kwamen meer handen aan mijn lijf en met een luide “drie”, werd ik op een harde ondergrond gegooid. Ik opende mijn ogen en zag wel vijf gezichten boven mijn hoofd. Ik bleek op een plank in een boot te liggen. “Gaat het goed met je?” zei een luide mannenstem. De man tikte tegen mijn wang. “Eh, ik geloof het wel”, zei ik. “Waar ben ik?” vroeg ik de man. “In onze boot”, zei de man. “We zagen je kopje onder gaan. We zijn van de reddingsbrigade”, zei hij als aanvulling. Ik moest nadenken wat er gebeurd was.”Hoe kan ik dat in vredesnaam overleefd hebben?” vroeg ik verbaasd. De mannen keken elkaar aan. “Tja”, zei de man. “Het had niet veel langer moeten duren”. “Ik ben uren onder water geweest”, kreeg ik met veel hoesten en proesten uit mijn mond. “Nou “, antwoordde hij met een lach, “dat valt wel mee. Je bent amper een minuutje onder water geweest”. Hij had me net zo goed kunnen slaan Dat was niet mogelijk. Ik was uren beneden bij Derk en de Registermannen geweest. Ik werd rechtop gezet en kon het hoesten niet stoppen. Ik keek om me heen en zag een andere boot naderen. De boot zat vol mensen met oranje vesten aan. Ook klaarblijkelijk mensen van de reddingsbrigade, nam ik aan. Het leek wel alsof ze gezwommen hadden. Ze hadden een verdrietige blik.

“En?” schreeuwde de man die naast mij zat. De mannen in de andere boot antwoordden niet. Ze schudde gezamenlijk hun hoofd en bogen het.

Drie weken later kreeg ik een kaart thuis. Het bleek een rouwkaart te zijn, met de hand geschreven.

Er stond te lezen;

“Derk was een lieve jongen”

“Hij is nu bezig met een andere reis”

“Wij denken aan hem”.

Was getekend……….                                                   “Vriendjes van de Speciale School”.

Mijn oog viel op het handschrift. Het was geschreven met een vulpen.

De inkt was als vanzelf het papier binnen gedrongen en had de Woorden gemaakt.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *